Hoe de “jagersfamilie Van Hoey Smith verweefd raakte met Voorne-Putten

Om ongeveer half vijf ´s ochtends als ik net wakker ben, valt bij mij de Volkskrant in de brievenbus. Wat zou er in staan, weer zo´n verrassing als een paar weken geleden? Toen nam Jacqueline van Hoey Smith in de Volkskrant een jong verslaggeefstertje op de hak.”Ik kom uit een jagersfamilie”. Dat is toch een onwaarheid. Ze is afkomstig uit een schatrijke redersfamilie die als liefhebberij de plezierjacht beoefent. Daarover schreef de Mus een stukje getiteld “Aangereden wild of aangeschoten, wat is het verschil”. Pas weken later reageert mevrouw Van Hoey Smith als door een wesp gestoken: ”fictie, feiten en verzinsels” roept ze in haar eerste reactie. En als de lieve lezer kennis wil nemen van haar bijdragen, raadpleeg dan even het blog nieuwsmus.nl, daar staan ze allemaal op, inclusief het laatste advies aan Mus dat het beestje maar een pilletje moet. Voor het zover is vertelt de Mus nog even verder.

Hoe zit dat met die familie en de relatie met Voorne-Putten. Ik heb weinig goede woorden over voor de Partij Westvoorne, maar in hun begintijd, toen de kwestie ‘strandhuisjes’ in Rockanje speelde, heeft de fractievoorzitter Emma van Blom haarfijn uitgezocht hoe dat nou zat met die servituten in handen van de familie Van Hoey Smith en wat mag en wat niet mag. De Mus ziet de heer Noordermeer de meer dan vuistdikke stapel stukken in de raadszaal van het gemeentehuis in Rockanje op tafel leggen, de servituten, openbare stukken, geregistreerd bij het kadaster in Rotterdam en aldaar tegen betaling in te zien. Wat staat er in? Dat rond 1900 de opa of overopa van Jacqueline nagenoeg de hele kop van Voorne kocht. Niet omdat hij het zo’n mooi gebied vond, maar uit louter zakelijke overwegingen voor de ontwikkeling van Voorne’s kust tot een soort Schevenigen, inclusief een Kurhaus. Die latere strandhuisjes en andere activiteiten van de huidige planontwikkelaars komen dus niet uit de lucht vallen. En ook in 1900 bleek de projectontwikkeling problematisch, toen vanwege onbereikbaarheid. Zelfs de aanleg van de Groene Kruisweg hielp niet. Dus bleef opa zitten met een enorme, zandbak. Wat te doen? Landhuizen dan maar? Een jachtgebied? Het duin was in die tijd nog kaler dan nu. De koetjes van de arme duinboertjes mochten daarom niet meer in het duingebied komen. Er moest vegetatie komen en zo geschiedde. Het laat zich denken dat het graasverbod kwaad bloed zette onder de plaatselijke bevolking. Dat was James van Hoey Smith wel gewend. In de Rotterdamse haven circuleerde toentertijd een gedicht over de bootwerkers waarvan een paar strofen bij de Mus zijn blijven hangen: “Vraag het de kameraden, die voor een karig hongerloon hongerloon de schepen voor hem laden”.

Om een lang verhaal kort te maken. Kort na de oprichting van Natuurmonumenten kocht de vereniging al het Quakjeswater, de tweede grote aankoop na het Naardermeer. Er was inmiddels een klein wonder geschied. In de vochtige, kalkrijke duinen was in korte tijd een ongekende rijkdom aan flora en fauna ontstaan, zo rijk als nergens in Europa was te vinden. Tot Europoort en de Maasvlakten werden aangelegd. Toen verloor de natuurlijke rijkdom het van het geld.
Aan het einde van de dertiger jaren van de vorige eeuw kocht Natuurmonumenten de rest van het duingebied. James van Hoey Smith bedong overerfbare jachtrechten ( zie het kadaster), het kan dus zijn dat Jacqueline gratis en voor niks in Voorne’s Duin haar jachtlust bot viert. Om de Volkskrant te citeren ”zij legt een doek over haar geweer in haar kleine jeep”. ’t Lijkt de Margriet wel.

De oorlogsjaren.

Dan nu mijn tweede ingang tot de familie Van Hoey Smith. Mijn echtgenoot Harry Edzes raakte in de dertiger jaren op de Libanon HBS in Rotterdam bevriend met zijn klasgenoot Ru van Hoey Smith, zoon van James en vader van Jacqueline. Beide jongens waren politiek geïnteresseerd. Ru liep met folders van de NSB in zijn schooltas, Harry met die van de SDAP. Samen werden ze bij de directeur geroepen. “Politiek op school was verboden”. Het schiep tussen de jongens een band. Samen op de fiets naar Rockanje, onderweg scherven zoeken bij de ruïne van Heenvliet, ’s avonds met het trammetje uit Oostvoorne terug naar Rotterdam. Doodmoe, dat wel en nooit huiswerk maken. Intussen had mijn man ook een jazz-orkest opgericht, samen met zoons van blazers uit het Rotterdams Philharmonisch, The Allround Stars. Harry organiseerde, dirigeerde, arrangeerde en sloeg indien nodig de bas. Ze speelden tot in 1943. Toen kwam een politie-inspecteur zeggen dat er aangifte was gedaan en dat de orkestleden rondsprongen als vlooien tussen olifantspoten. Jazz behoorde in de Nazi-tijd namelijk tot de “entartete Kunst”. En ook Ru zei tegen Harry dat van die muziek zijn hond ging janken. Waarmee niet is gezegd dat Ru de aangever was. “Zo was hij niet”, zei Harry.
Wel vroeg Harry eens aan Ru “hoe vindt je dat nou dat Puckie (de joodse tekenleraar) weg moet van school?” “Ja” zei Ruud, “dat is wel erg, maar de goeien moeten altijd lijden onder de kwaaien”. Zo ver gaat indoctrinatie dus.

Vader Van Hoey Smith bekleedde een hoge positie in de NSB. Hij had drie zoons. Hij stuurde ze naar het Oostfront om tegen de Russen te vechten. De oudste sneuvelde, Ru kwam gewond terug. Dick trouwde in de oorlogsjaren met Marietje Trouw, dochter van de meelfabrikant in Heenvliet en leider van de verzetsgroep op Voorne-Putten. Kort na het huwelijk werd nagenoeg de hele verzetsgroep tegen de muur gezet. Toeval? Niemand die het weet. In de zeventiger jaren van de vorige eeuw werd vader Van Hoey Smith ook vermoord. Zijn bosarbeider werd aangewezen als verdachte. Het verhaal van B. was zo verward en hij was zo bang dat de rechter er geen touw aan kon vastknopen. Ruim een jaar na de moord keerde B. terug naar zijn huisje aan De Rik in Tinte. De echte dader zou gezocht moeten worden in kringen rond de opgerolde verzetsgroep. Maar als Voorne-Putten zwijgt, dan zwijgt het ook.

Hoe het met de vriendschap is afgelopen? Verzandt. Ze kwamen elkaar nog wel eens tegen. “Weet je Harry, zei Ru eens tegen hem, “wat nu Europa gebeurt is precies wat Hitler wilde”.

In de Westvoornse raad is flink gesteggeld over de antieke waterschapsglazen die jarenlang in een vitrine in het gemeentehuis stonden. Hoe kwam de gemeente aan die glazen. Ze stonden in de oorsponkelijke koepel Zeeburg aan de Boulevard in Oostvoorne en die stond in de oorlogsjaren het Duitse leger in de weg. De glazen bleken in het bezit van James van Hoey Smith. “Oorlogsbuit” zeiden mijn zegslieden sneerend. Hij schonk ze aan de gemeente Westvoorne. Na een omweg naar de namaak Koepel Zeeburg aan de Zeeweg in Oostvoorne staan ze nu in het Brielse historische museum
Ook het wandkleed in de raadszaal van Rockanje is van James. Van Mus mag het blijven hangen. Schuldige kunst bestaat niet.

“Hoe komt het dat de familie niet zwaar is gestraft voor hun gedrag in de oorlogsjaren bij voorbeeld door confiscatie van hun bezittingen?” zal de lezer vragen. Ja, hoe gaan die dingen. De door Seys Inquart benoemde burgemeester van Rotterdam mocht blijven zitten, de Duitsgezinde directeur van het havenbedrijf ook. De reders waren hard nodig. Haven en stad moesten worden opgebouwd. De zittenblijvers wisten nu eenmaal van de hoed en de rand.
En Rotterdam hield fraaie geschenken aan de Van Hoey Smithen over. Het arboretum aan de Oostzeedijk in Rotterdam en een mozaïek annex fontein met banken in het park aan de Westzeedijk. Een allegorie over de Maas stelt het voor, zelfs het zonnerad ontbreekt niet. De naam van de schenker staat in het mozaïek. Ja het is mooi. Weinigen die het zagen in mijn tijd in Rotterdam. Het was toen een gekende homo ontmoetingsplaats. Wat een cynische grap.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>