Pandemie

Nadat het coronavirus met carnaval Brabant is binnengehost, alaaf, kwam onze minister-president/acteur maandagavond j.l. melden dat zijn strategie om verspreiding van het coronavirus tot redding van de economie jammerlijk was mislukt. Hoeveel patiënten met corona Nederland zal tellen? We zullen het niet weten. De teller is gestopt. Het verhaal was nu dat gelukkigerwijs velen van ons de nieuwe griep zullen krijgen om zo een cordon sanitair te bouwen rond de arme oudjes en andere kwetsbaren. Dat moet velen van ons het gevoel geven toch bij te dragen aan de gemeenschap. Covid 19 voor het goede doel.

Pandemieën zijn voor Nederland niet nieuw en dan wil de Mus het niet hebben over de pest en de cholera maar over bijvoorbeeld 1957 toen de A-griep, ook uit China, vaardig werd over de wereld. Mus lag in het kraambed net bevallen van een mooie dochter. Na vijf dagen hoge koorts. Nimmer meer een dokter zo snel aan mijn bed gezien. Het was volgens hem niet ernstig, het was een nieuw soort griep die zich razendsnel verspreidde. De kraamheer, een journalist, werkte in die tijd bij het Haags Dagblad. Hij belde met de Haagse GGD. Hij proefde een nieuwtje. Hij werd direct doorverbonden met de directeur die mede deelde”: “Ja meneer Edzes en over een week ligt half Nederland met de nieuwe griep in bed”. Nee, het Haags Dagblad heeft het stukje niet gepubliceerd. De chef-redacteur was meer van de kunst en niet van een ordinaire griep. Maar een goeie journalist is niet voor een gat te vangen. Hij telexte zijn stukje door naar het Amsterdamse Parool waar het vet op de voorpagina verscheen. En ja hoor, de voorspelling van de GGD-directeur over half Nederland werd bewaarheid. Brak toen de tering uit in Nederland zoals heden ten dage? Welnee.

Zoals te verwachten kreeg de kraamheer de dag na publicatie ook de griep. Daar lagen wij bij elkaar in het kraambed met de baby tussen ons in. Gelukkig kregen wij nog kraamhulp. Dat was in die tijd nog zo. Alleen kwamen er wel drie verschillende kraamverzorgsters per dag, want de vrouwen bezweken bij bosjes. Wel brachten ze de A-griep van gezin tot gezin en werkten zo mee aan het cordon sanitair rond de kwetsbare medemens. Of zoals de heer Rutte het gisteravond zo mooi zei: “het resistent maken van de bevolking.”
Vielen er doden? Ja. Maar de meesten zieken knapten weer op. Tekorten aan ziekenhuisbedden? Daar werd niet over gerept. Er werden in die tijd ook niet zoveel ziekenhuizen overbodig verklaard zoals nu. Meneer Rutte, waar bent u?

Druppelen

Vanmorgen belde een meneer van het Centraal Bureau voor de Statistiek om mij nader te bevragen naar aanleiding van een enquête die ik eerder had ingevuld. Of ik nog inkomsten had uit arbeid, dan wel belangen in of inkomsten uit een bedrijf o.i.d. Nee dus. “Dan kan nu uw dossier sluiten”, sprak de meneer en even voelde de Mus zich of zij ten grave werd gedragen.
Dat werd er niet beter op na lezing van de Groene Amsterdammer, al langer dan zestig jaar mijn geliefde weekblad, over het gat tussen de zelfstandig wonende bejaarde en het verpleeghuis en over het gebrek aan alternatieve behuizingen voor die groeiende groep mensen. Aukje van Roessel ging op bezoek bij een GDO (Groepswonen Door Ouderen). Als daar een plaats vrijkomt door het wegvallen van een bewoner beslissen de achterblijvers wie die plaats mag innemen. Haar werd aangereden zich nu al in te schrijven voor een dergelijke woonvorm, want men had liever zestigers dan tachtigers. Want dan konden de jonkies de meer hulpbehoevenden helpen met voortleven. Zover is het in dit land onder het neoliberalisme dus gekomen.
Laat Mus een voorbeeld geven uit eigen praktijk. Zij kreeg een oorontsteking. De balie van het medisch centrum schreef na telefonisch contact oordruppels voor. En krijg die maar eens op de juiste wijze in je oor. De bijsluiter: “Ga op uw zij liggen en druppel drie druppels in uw gehoorgang. Raak daarbij met druppelaar uw oor niet aan want anders wordt de druppelaar besmet met de bacteriën uit uw oor. Trek het oor naar achteren en tegelijkertijd naar boven om de ingang van de gehoorgang wijder te maken en blijf tien minuten op uw zij liggen. Ik geef het je te doen. U kunt dit beter met z’n tweeën doen, zegt de bijsluiter. Vraag eventueel hulp aan uw omgeving. En daar wringt natuurlijk de schoen als je omgeven bent door werkers die ‘s morgens hun huis verlaten en daar ‘s avonds weer in terugkeren. Het bleef dus tobben voor de Mus met die besmette druppelaar.
De thuishulp? Die is daar niet voor. Het gaat om een medicijn dat moet worden toegediend door een verpleegkundige en die zijn in de thuiszorg niet dik gezaaid, ook te duur allemaal natuurlijk. En dan is het handig als je in je woongroep een kwieke zestiger als Aukje van Roessel bij de hand hebt.
En zo tobt de participatiemaatschappij verder. Over de inrichting daarvan is nauwelijks nagedacht. Iedereen moet straks in het neoliberale model tenminste tot z’n 67-ste werken en daarna is er niemand meer te vinden die gratis en voor niks je broek op komt halen als dat nodig is.

Driewieler

Sommige kinderen in de Haagse straat waar de Mus woonde hadden een driewieler waarmee ze over de stoep reden. Hartstikke jaloers was ik. Zulk duur speelgoed zat er bij mij thuis niet in. Nu ik oud ben lijkt het er op dat ik, als ik nog wil fietsen, aan de driewieler moet. Dezer dagen heb ik een eerste poging gedaan er een te verwerven. Tweedehands natuurlijk. Splinternieuw zijn die dingen, voor de vrije vogel die ik altijd was, niet te betalen. Dus mocht ik komen proefrijden. “Dan ga ik wel mee”, sprak mijn dochter. En zo geschiedde.

De driewieler bleek een “easy rider”. Kreeg Mus natuurlijk meteen associaties met de “Wild West”, vrijheid, wapperende haren. Maar tegelijkertijd raakte ik danig geïmponeerd. Daar stond een glanzend gevaarte met kleurige lichtjes want ook nog electrisch aangedreven. “U rijdt er zo op weg”, had de eigenaresse beloofd. Maar dat viel lelijk tegen. Plaats genomen hebbend op de zetel bleken de trappers niet onder mij te zitten maar voor mij. Die nieuwigheid had ik niet verwacht. Ik koerste ook meteen de tuin in. Stevig plantte ik mijn voeten nog net op het grint. “Er zitten handremmen op”, sprak een aardige, geduldige man, die mij op mijn eerste fietstocht zou begeleiden. “Ik hou u vast, er kan niets gebeuren, u kunt niet vallen”. En zo geraakten wij op de smalle openbare weg. En daar lag/zat ik dan op dat stoeltje. Voor mijn neus mijn twee bewegende knieën, daartussen een draaiend wiel en daar ging ik weer naar rechts, toch al niet mijn meeste geliefde richting. Weer die voeten op de weg als laatste redding.
“U moet recht voor u uitkijken”, sprak de man achter mij. Er kan niets gebeuren. En ineens gingen mijn gedachten naar lang geleden. Toen ik op een gehuurd fietsje ( een kwartje per uur) fietsen leerde op het Haagse Kaapseplein. Mijn vader rende achter mij terwijl hij het zadel van het fietsje vasthield. “Doortrappen, doortrappen en recht voor je uitkijken”. Toen mijn vader dacht dat het wel ging moet hij het fietsje hebben losgelaten. Daar ging, recht op een vrouw af en parkeerde de fiets met grote precisie recht tussen haar benen.

Zo ver kwam het nu niet. Ik wilde terug naar het uitgangspunt. De fiets keren verliep ook al niet soepel. Bevend kwam ik aan bij de eigenaresse. Ik ben bang dat dit het niet wordt”, sprak ik en ik keek met spijt naar de mooie glanzende fiets.
“Je keek als een bang konijn in de lichtbak van de stroper”, zei mijn dochter terug naar huis. Maar ik heb nog een kans. Er zijn ook driewielers met een zadel en de trappers beneden en misschien beter niet electrisch.